Mini
Rijden in een Mini Cooper, wie heeft daar nou nooit eens over gedroomd? Kenmerkend en markant als vanouds, stijlvol vormgegeven en zeker een klasse apart.
De eerste Mini werd in 1959 geintroduceerd door de British Motor Corporation (BMC), het samenwerkingsverband (1952) tussen het Austin- en Morris-concern. Lees meer over de achtergrond van Austin en Morris
Toen Austin en Morris gezamenlijk besloten tot oprichting van het BMC-concern, hadden beide partijen al een lange traditie in het bouwen van kleine, compacte wagens. Rond 1939 bleken zowel Austin en Morris de belangrijkste Britse autofabrikanten met jaarlijkse productiecijfers rond de 100.000 auto’s.
Austin werd in 1906 gesticht door Lord Herbert Austin in Longbridge. Zijn bekendste creatie was de oorspronkelijke Austin Seven uit 1922, waarvan ruim 300.000 auto’s werden afgeleverd. Na succes in Europa, groeide de belangstelling in Amerika en Japan, waar dit model als voorbeeld diende voor de Japanse Datsun.
De motorfietsspecialist William Morris, beter bekend als Lord Nuffield, startte in 1913 met de autoproductie in Cowley bij Oxford. Ontwerper Alec Issigonis (1906-1988) werdt in 1936 bij Morris Motors aangenomen, waar hij verantwoordelijk was voor het design van de Morris Minor, welke in 1948 op de markt kwam. Na een korte werkzame periode bij de Alvis Company in Coventry, kwam Issigonis terug en ging hij in op een voorstel van BMC om een zo klein mogelijke wagen te creëren die toch vier volwassenen én 'een beetje' bagage kon vervoeren.
Zodoende ontstonden twee versie’s van hetzelfde ontwerp: de Austin Seven en de Morris Mini-minor. Geen van beide partijen was op dat moment voorbereid op de overweldigende impact van de Mini. Vanaf het eerste protoype uit 1958 duurde het 1 jaar om de Mini in productie te nemen.
Ondanks de succesvolle marktintroductie werden het eerste jaar slechts 20.000 exemplaren verkocht, met name door de prijs van bijna 500 Britse ponden. De charme en het imago groeiden daarna echter snel met als gevolg dat bekendheden zoals the Beatles, Steve McQueen, Brigitte Bardot, Clint Eastwood, Paul Newman, Peter Sellers en Cliff Richards zich maar al te graag in het icoon ‘Mini’ lieten zien. Lees meer over de ontwikkeling van Mini tussen 1960 en 2000
Tussen 1960 en 1964 ontstonden een aantal varianten: de Estate, de Van en later de Pick-up. Nog belangrijker was de inmenging van John Cooper in 1961, met de komst van de extra sportieve uitvoering met 997cc en 55 PK. In 1963 ontstond de Cooper S, voorzien van 1071cc met een topsnelheid van 160 km/u. Deze bleek het rally-icoon bij uitstek: in 1964, 1965 en 1967 reed de Cooper S naar de zege in de rally van Monte Carlo.
Vanaf 1965 werden meerdere buitenlandse productielocatie’s in gebruik genomen, zoals Italië (Innocenti), Australië, Zuid-Afrika en Spanje. Tevens rolde de 1.000.000ste Mini van de band. In 1967 werd een facelift doorgevoerd (Mark II) die zich met name kenmerkte door een andere grille. Dat jaar fuseerde BMC met Leyland (Rover en Triumph). De merknaam Austin en Morris verdwenen. In 1969 bereikte de productie 2.000.000 Mini’s, met een top-jaarproductie van 318.000 Mini’s in 1971.
Begin jaren ’80 werd de opvolger van de succesvolle Mini gepresenteerd: de Austin Mini Metro. Het Mini-gamma werdt ingeperkt en ontstonden diverse ‘limited editions’. Vanaf 1986 kreeg de Mini een stevige inpuls onder leiding van de Rover Group. In de jaren ‘90 kreep men succesvol terug op het rally-verleden en er ontstond zelfs een cabriolet, de duurste uit het Mini-gamma ooit.
In 1994 ging Mini over in Duitse handen (BMW), waar in 1996 al werd aangekondigd dat de Mini in het milleniumjaar een heuse transformatie zou ondergaan. De nieuwe auto zou in Engeland gebouwd gaan worden en voorzien worden van een BMW-Chrysler motor. De oer-Mini werd ondertussen qua uitrusting enorm uitgebreid, alsof de Engelsen toen al wisten dat 'hun' Mini definitief in Duitse handen zou overgaan.
In april 2001 bracht BMW dan eindelijk de ‘New MINI’ op de markt, in drie gradaties: Mini One, Mini Cooper en Mini Cooper S, geproduceerd in de oude Morris-fabriek (Oxford), ontworpen door Frank Stephenson. Hij heeft met succes de rijke sportieve historie met een flinke dosis comfort en technische kwaliteiten anno 2000 gecombineerd, uiteraard het ultieme ‘Mini-gevoel’ niet vergetend. Het uitgesproken design en de stijlelementen, ontstaan in de jaren ’60, zijn opnieuw zonder al te veel concessies toegepast op de New Mini 2001. De populariteit heeft sinds dien een stijgende lijn gevolgd en is tot op de dag van vandaag ‘ongekend’. In 2005 volgde de langverwachtte Mini Cooper Cabrio.
Eind 2006 volgde de tweede generatie Mini met een nieuwkomer: de break-versie Clubman. BMW heeft in alles haar uiterste best gedaan om de nieuwe versie erg sterk op de kaskraker van 2001 te laten lijken. Hoewel de New Mini heel vertrouwd oogt, is hij van voren tot achteren opnieuw getekend. Pas als de eerste- en tweede generatie naast elkaar worden gezet, valt op dat er geen enkelstukje plaatwerk van de nieuwe Mini op de eerste generatie past.
Stap in en wordt verrast door het eigenzinnige en onderscheidende karakter van het interieur. Functioneel? Tja, daar zijn de meningen over verdeeld, met alle knopjes, schakelaars en de markante positie van snelheidsmeter en toerenteller. In de Mini wacht een 1600cc welke 110 pk levert. Scheuren maar dus! En dat gaat bijna als vanzelf in een Mini. Dan komt het kartgevoel naar boven, kort schakelen, strak de hoek om en op rechte stukken als een trein, alles nodigt uit om vooral sportief te rijden. Dat was niet alleen bij de oer-Mini het geval, bij het vorige model was dat ook zo en bij de jongste versie is het niet anders. Genieten geblazen!
Kortom: sturen is en blijft een feest in de Mini. Grijp deze gelegenheid aan om het ‘Mini-gevoel’ te beleven!